Flexibilisering vanuit een didactisch perspectief

Deze week ben ik aanwezig bij een bijeenkomst over de flexibilisering van de deeltijdopleidingen van de lerarenopleidingen van Inholland.

Flexibilisering is binnen het hoger onderwijs een belangrijke trend. Het hoger onderwijs krijgt steeds meer te maken met de vraag van studenten naar gepersonaliseerde en flexibele leerwegen. Zo kennen we bij de lerarenopleiding naast de ‘reguliere’ voltijd-studenten de deeltijd-studenten, zij-instromers en her-intreders. We krijgen ook meer te maken met professionaliseringsvraagstukken van zittende docenten. Iedere doelgroep heeft zijn specifieke kenmerken en dat vraagt maatwerk. Maar wat zijn uitgangspunten voor het ontwerpen van flexibele leerwegen voor studenten?

Ik zet voor mijzelf een en ander op een rijtje door het schrijven van dit blog.

Flexiblisering
Kessels en Ehlen (2006) beschrijven flexibilisering als een veranderingsproces in de onderwijsorganisatie waardoor het mogelijk wordt om rekening te houden met de diversiteit in instroom van studenten, in deze casus leraren-in-opleiding, beginnende leraren en zittende leraren. Deze studenten en professionals komen met verschillende leervragen en hebben verschillende wensen ten aanzien van de inhoud, leeractiviteiten, plaats- en tijd van het leren. Er ontstaat een vraag naar maatwerk, gepersonaliseerde leerwegen in een gepersonaliseerde leeromgeving. Kessels en Ehlen beschrijven verschillende verschijningsvormen van flexibilisering:

  1. Flexibilisering van de instroom; Maatwerktrajecten voor zij-instromers, her-intreders, werkende studenten, waarbij elders verworven competenties worden her- en erkent;
  2. Flexibilisering van de vraag; Individuele leerwegen op basis van expliciete leervragen van studenten;
  3. Flexibilisering van aanbod; De mogelijkheid om variatie aan te brengen op de inhoud en niveau van de opleiding, om te specialiseren en te differentiëren (keuzeonderwijs);
  4. Flexibilisering van de vormgeving; Variatie in aspecten als tijd en plaats van leren, groeperingsvormen, werkvormen, leermidden een aanbieder.
  5. Flexibilisering van de uitstroom; Bovenstaande verschijningsvormen van flexibilisering vraagt op erkenning van verschillen tussen studenten en hun specifieke talentontwikkeling.

Kortom: flexibilisering van instroom, doorstroom en uitstroom.

Didactisch perspectief
Fransen (2015) beschrijft in zijn lectorale rede flexibilisering van de doorstroom vanuit een didactisch perspectief: flexibilisering in pace, place en mode. Het uitgangspunt van een flexibel curriculum zijn de authentieke beroepstaken als startpunt van het leerproces en de competentieontwikkeling van de student. Flexibilisering van het curriculum en binnen onderwijsonderdelen vraagt volgens Fransen eerst een analyse van het leerproces om vervolgens keuzes te maken ten aanzien van de leeromgeving.

1. Flexibilisering en leerprocessen
Fransen gebruikt voor de analyse van leerprocessen, dus de vormen van leren waarmee de student in aanraking komt, de indeling zelfstudie, leren via experts en samenwerkend leren. Een leerpraktijk met overwegend zelfstudie biedt veel meer ruimte voor de student om keuzes te maken ten aanzien van tijd en plaats van studeren, zeker als deze zelfstudie wordt ondersteund middels een digitale leeromgeving. Als de balans in een leerpraktijk meer naar de interactie met experts en samenwerkend leren verschuift, dan valt er minder te kiezen voor de student ten aanzien van tijd en plaats van leren.

2. Flexibilisering en sturingsverantwoordelijkheid
De ontwikkeling van meta-cognitieve kennis en vaardigheden is belangrijk in een beroepsopleiding. Van een startbekwaam professional wordt verwacht dat hij autonoom kan handelen en dat vraagt zelfsturing. Het curriculum moet ruimte bieden voor deze sturingsverantwoordelijkheid van de student. Fransen beschrijft vier niveaus van zelfsturing van de student en de rol van de docent daarbij:

  1. Zelfstandig werken; De docent is verantwoordelijk het activeren van de student, de student heeft verantwoordelijkheid voor de uitvoering;
  2. Zelfstandig leren; De student heeft naast verantwoordelijkheid voor de uitvoering ook verantwoordelijkheid voor het kiezen van de strategie, en dat vraagt begrip van de achterliggende doelen. De docent is een begeleider van het leerproces;
  3. Zelfverantwoordelijk leren; De student krijgt ruimte om ook zijn eigen leerdoelen te formuleren en wordt daarmee medeverantwoordelijk voor de beoordeling van resultaten; De docent faciliteert.
  4. Autonoom leren; De student is zelf verantwoordelijk is voor de inhoud en organisatie van het leerproces; De docent speelt geen rol.

Binnen een leerpraktijk is er sprake van een balans tussen docentsturing en studentsturing. Deze balans moet kloppen met het type student. Te hoge eisen stellen aan zelfsturing door een student die dat niet aankan levert frustratie in het leerproces op. Aan de andere kant: te weinig vragen op dit terrein van een student die al een flinke mate van zelfsturing heeft levert ook een frustrerende situatie op. Hoe meer de balans komt te liggen op studentsturing hoe meer er sprake is van authentiek en informeel leren, waarin het instituut begeleider is van leerprocessen. De grens tussen formeel en informeel leren vervaagt.

Ik moet denken aan de opmerking van Tony Bates tijdens zijn keynote op de OWD2015: studenten kiezen voor een instituut op basis van kwaliteit van learner support.

3. Flexibilisering en de beroepscontext
Wat is de relatie tussen het leren van de praktijk (vaak op het instituut) en leren in de beroepscontext, leren in de praktijk? Deze wordt bepaald door de situatie van de student, maar er is altijd sprake van een samenwerking met de beroepspraktijk. Is de student nog niet werkzaam in de beroepscontext dan is er behoefte aan het initieel opleiden van een student waarin er in eerste instantie sprake is van leren van de praktijk om vervolgens over te gaan naar leren in de praktijk. Is de student wel werkzaam in de beroepscontext dan is er sprake van een professionaliseringsvraagstuk waarbij kan worden aangesloten bij het handelen in de praktijk.

4. Flexibilisering en leeromgeving
Een flexibel curriculum is (1) contextspecifiek, sluit aan bij de kenmerken van de student en type leerproces en de beroepscontext, en (2) studentspecifiek, komt tegemoet aan aan de mate waarin de student in staat is en gemotiveerd is tot zelfverantwoordijk leren. Dit vraagt een flexibele leeromgeving, fysiek, online of een combinatie, die op maat gemaakt kan worden om de leerprocessen te ondersteunen en aan te sluiten bij de behoeften van de student. De digitale leeromgeving van het instituut dient aan te sluiten bij de persoonlijke leeromgeving van de student en de samenwerking met de beroepspraktijk moet ondersteund worden.

In onderstaande afbeelding komen deze keuzes terug in een voorbeeld leerpraktijk. Alle elementen zijn te verschuiven, de verhoudingen kunnen groter of kleiner worden gemaakt, afhankelijk van de analyse van de leerpraktijk in relatie tot het type student. Fransen beschrijft het als een ‘vingerafdruk’, die ontwerpeisen oplevert voor een concrete uitwerking van een leerpraktijk.

Voorbeeld leerpraktijk

Voorbeeld van een leerpraktijk met verhouding tussen soorten leren, plaats waar wordt geleerd en type leeromgeving (uit Fransen, 2015, p. 39)

Ten slotte
In de lerarenopleidingen is al een aantal jaren sprake van een bepaalde mate van flexibilisering, door het aanbieden van allerlei (verkorte) varianten van een standaard voltijds-curriculum. Dit is een pragmatische aanpak waarbij het inhoudelijke curriculum uitgangspunt is maar waarbij je je kan afvragen in hoeverre er wordt aangesloten bij de specifieke kenmerken en ontwikkeling van de student, en zijn behoeftes aan ondersteuning en begeleiding.

Uitgangspunt bij flexibilisering dient de beroepspraktijk van de student te zijn en de kwaliteit van de competenties die de student ontwikkeld, waarbij er ruimte is voor de student om eigen leervragen te formuleren en invloed kan uitoefenen op de inhoud en vormgeving van zijn leerweg zodat hij zijn eigen talenten kan ontwikkelen.

Van het instituut vraagt dat om goed na te denken over hoe learner support effectief georganiseerd kan worden, zowel op het instituut als in de beroepspraktijk, zowel fysiek als digitaal. Hierbij is een het leerwegonafhankelijk beoordelen een belangrijk vraagstuk. Het vraagt ook versterking van het werkplekleren. Dit laatste vraagt nauwere samenwerking met het werkveld, en een gezamenlijke visie over opleiden en professsionaliseren.

Tot zover, to be continued…

 

Geraadpleegde bronnen:

Fransen, J. (2015). Teaching, Learning & Technology: Instrumentatie van betekenisvolle interacties. Hogeschool Inholland.

Fransen, J. (2015). Toekomstgericht onderwijs in Inholland. Visie op flexibilisering van opleidingscurricula (notitie). Lectoraat Teaching, Learning & Technology Hogeschool Inholland

Kessels, J., & Ehlen, C. (2006). Flexibilisering in het hoger onderwijs. In A. Grotendorst, I. Van Aken, C. Sino & B. Veldhuizen (Eds.), Vernieuwing in het hoger onderwijs. Onderwijskundig handboek (pp. 36-47). Assen: Van Gorcum.

1 Reactie

Anke Tollenaar

ongeveer 5 maanden geleden

top. dank Anke

Laat een reactie achter

Hoor graag uw reactie!

%d bloggers liken dit: