Terugkijken op zevende en achtste BDB-bijeenkomst

Vanochtend verzorgde ik het ochtendgedeelte van de achtste BDB-bijeenkomst. Twee weken geleden, gelijk na de vakantie, verzorgde ik de zevende bijeenkomst over blended learning, maar door drukte was ik niet in de gelegenheid om mijn reflecties op te schrijven via een blogpost. Nu waren die reflecties op dat moment ook niet heel positief en dan ben ik vrij meedogenloos over mijn eigen functioneren. En dat helpt verder ook niet, dus eigenlijk heel verstandig om op een later moment nog eens terug te blikken. Hieronder schrijf ik mijn hoofd leeg. Deze blogpost is onderdeel van een serie. En de eerste pas van 2017.

Bijeenkomst zeven (di 10/01)
Zoals gebruikelijk zijn we de ochtend begonnen met het bespreken van een casus die werd aangedragen door de cursist. Goed luisteren, vragen stellen om vervolgens feedback te geven. Met deze groep cursisten staat deze werkvorm garant voor een goed gesprek, waarbij ik gespreksleider ben en ondersteunende theorie aanreik. Dit onderdeel heeft een belangrijke functie, als opening van de dag, als moment van verbinding tussen cursisten en studiebegeleider(s).

De rest van de ochtend stond in het teken van blended learning: de ervaringen van de cursisten met de inzet van ICT in hun onderwijs en opleiding, verkennen van enkele generieke ICT-toepassingen om vervolgens een aantal theoretische uitgangspunten te bespreken t.av. blended learning. Gedurende de ochtend verzamelde de cursisten ontwerpeisen voor betekenisvolle inzet van ICT via een Padlet.

In de middag stonden een aantal BKE-onderdelen op het programma. De cursisten hadden voorbeelden van tentamens meegenomen, waarvan we de vragen zijn gaan analyseren: wat maakt een goede tentamenvraag? We hebben ook een voorbeeld van een toetsmatrijs geanalyseerd. Een praktische middag, die ik verder even buiten beschouwing laat.

Reflectie op bijeenkomst 7
Wat ik persoonlijk een meerwaarde vond aan de inhoud van deze sessie is dat ik praktijkvoorbeelden van blended learning van Inholland-collega’s heb gebruikt om daarmee de inzet van een aantal generieke ICT-toepassingen binnen de DLWO van Inholland te beschrijven. Zo heb ik vorig jaar collega’s van de HTRO begeleid bij het ontwerpen van een leerpraktijk waarbij studenten elkaar feedback gaven via BlackBoard. Dat leverde een mooi praktijkvoorbeeld op van didactische inzet van een LMS, en het benutten van de mogelijkheden en omgaan met de onmogelijkheden van deze toepassingen. De inzet van weblectures in een flipped classroom context heb ik zichtbaar gemaakt door het bespreken van het onderzoek van collega Estella Griffioen. Binnen Inholland wordt veel gewerkt met online peer-review, collega Bob Götte deed hier onderzoek naar. En zo had ik eigenlijk wel meer cases willen bespreken zoals de inzet van eFaqt of Inspiration. Note to self: meer van dit soort praktijkvoorbeelden verzamelen.

Ik niet heel tevreden over de verhouding theorie en interactie in de ochtend, iets wat ik herken als een valkuil van mij. Ik wil soms te veel theoretische concepten behandelen in beperkte tijd en dat gaat ten koste van de interactie met de cursist. Ten aanzien van blended learning weet ik dat ik een expert ben, met kennis en ervaring, maar als ik die kennis moet delen dan vind ik het lastig om keuzes te maken.

Ik heb tijdens mijn voorbereidingen wel ‘ingegrepen’, de keuzes uiteindelijk gemaakt,  en heb mij verder op de interactie gericht. Vanuit de situatie van de cursist vertrekken, denken-delen-doen ten aanzien van eigen of naaste ervaringen met didactische inzet van ICT, succesfactoren als ontwerpeisen noteren via een Padlet,  deze gedurende de ochtend verder invullen, op basis van theorie en werkvormen. Aan het einde van de sessie heb je dan een Padlet met ontwerpeisen die de cursisten verder kunnen benutten in hun werk. Ik vond de opzet in essentie niet verkeerd, maar was van de kwaliteit van uitvoering niet overtuigd. Ik had moeite om het gesprek goed te leiden en te verbinden aan de theorie, iets wat mij juist goed afgaat. Je voelt dat je te weinig tijd hebt om alles te bespreken, en dat vraagt interventies waardoor er een rommelige indruk ontstaat. Zo ervaar ik dat tenminste. Kan gebeuren, maar jammer dat het gebeurt op ‘mijn’ thema.

Ontwerp (1)
Achteraf gezien, realiseerde ik mij ook dat het natuurlijk heel vreemd is om op deze manier te praten over blended learning. Ik had mijn instructie natuurlijk vooraf via een weblecture moeten delen, om in de sessie bijvoorbeeld meer aandacht te besteden aan de koppeling met de praktijk van de cursisten. Practice as you preach. Want passen de cursisten deze kennis toe in hun opdrachten?

Als ‘we’ blended learning zo belangrijk vinden bij Inholland waarom integreren we dat niet nog meer in de opdrachten van de BDB-cursisten. Opvoeding!  Of hebben we hier een basis gecreëerd en moeten we op bijvoorbeeld een ’BDB-terugkomdag’ (bestaat niet, maar wel een goed idee) specifiek richten op de inzet van technologie? Of misschien een BDB-MOOC organiseren voor alumni-cursisten en collega’s waarin ze een leerpraktijk gaan herontwerpen met inzet van ICT?

In ieder geval wordt het thema via deze manier gefragmenteerd aangeboden, en dat kan niet de bedoeling zijn. Wat het wel op heeft geleverd is dat de cursisten Padlet gaan gebruiken. Da’s iets winst.

Bijeenkomst 8 (24/01)
Op deze ochtend stond het onderwerp samenwerkend leren centraal, een onderwerp dat al een aantal keren naar voren werd gebracht door cursisten in de vorige bijeenkomsten. Binnen de hogeschool laten we de studenten veel samenwerken en ook de cursisten merken dat dit soms een frustrerend proces kan zijn voor studenten, met soms maar weinig rendement. Samenwerken is om allerlei redenen belangrijk. Het is wat je als beroepsprofessional en kenniswerker moet kunnen, zeggen we dan. Bovendien kan samenwerkend effectief zijn voor het individuele leren, mits goed georganiseerd. Maar feit is dat studenten vaak ‘moeten’ samenwerken, en dan is het goed om te weten wat bijdraagt aan een goede samenwerking in een team.

Vanuit een casus zijn we vertrokken om het begrip samenwerkend leren te verkennen. Definities, vormen en kenmerken van samenwerkend leren (‘de vijf’ van Ebbens & Ettekoven) zijn aan bod gekomen. Vervolgens hebben we gekeken naar randvoorwaarden voor succesvol samenwerkend leren, zoals Kirschner (hier) en Fransen (daar) beschrijven.

Ik heb het proefschrift van Fransen over effectieve leerteams bij samenwerkend leren benut om de studenten inzicht te geven in de complexiteit van een leerteam-opdracht, en hoe belangrijk het is om zaken als gedeelde visie over product en proces, hulpvaardigheid, individuele aanspreekbaarheid, etc. te monitoren tijdens het proces en dit bespreekbaar te maken zodat het team (of de docent) een interventie kan plegen als dit noodzakelijk mocht zijn.

Het laatste deel van de ochtend hebben we gekeken naar het scripten van peer-review, als een vorm van samenwerkend leren, ondersteund door de digitale omgeving. Met een script bedoel ik dan de volgordelijkheid van activiteiten die studenten moeten ondernemen om tot kennisconstructie te komen middels het werken aan een product, ondersteund door de begeleidende docent.

Waarom organiseren we peer-review? Waarom is het voor de student belangrijk om feedback te geven aan mede-studenten en feedback die ze ontvangen van mede-studenten te benutten. En wat vraagt het om goede feedback te geven? In ieder geval inzicht in beoordelingscriteria? Kun je studenten daar in meenemen? Wat zijn de voordelen om deze peer-review asynchroon via een digitale leeromgeving te organiseren, en wat vraagt dit van studenten en collega’s?

Ontwerp (2)
Een inhoudelijke ochtend, met veel informatie. Weer die valkuil? Nee, nu sta ik er toch iets anders in. Ik zal de volgende keer zeker kijken of een en ander nog praktischer kan. Ik had twee vormen van samenwerkend leren ingezet om voorkennis te activeren en na afloop een en ander samen te vatten. Maar een stevige kennisbasis ten aanzien van dit onderwerp kan geen kwaad, gezien het projectmatige karakter van veel opleidingen. Had het via een weblecture gekund, om vervolgens in de sessie een koppeling te maken met de praktijk? Yep.

Ook hier vraag ik mij af of en waarde cursisten deze kennis gaan toepassen? Zij werken aan een ontwerp-opdracht, en dat zou een mooie gelegenheid zijn om deze inzichten te verwerken. Maar is dat wellicht te vrijblijvend? Moeten we cursisten in een BDB-traject wellicht wat meer sturen in het leren ontwerpen van leerpraktijken waarbij ze nadenken over samenwerken leren, en de didactische inzet van ICT. Moeten we ze juist binnen de leeromgeving van de BDB dergelijke ervaringen niet gewoon bieden?

Deze observaties gaan al richting het niveau van eindevaluatie. Wat ik de kracht vind van het BDB-traject, dat we volop aan het ontwikkelen zijn, is juist de gerichtheid op de praktijksituatie van de cursist. Die moet centraal blijven staan, en dat wrijft een beetje tegen het theoretische karakter van de laatste twee bijeenkomsten. Goed, door wrijving krijg je glans. Collega Jos Fransen benoemt altijd de complexe dialoog, met daarin een communicatiecyclus tussen docent en lerende en de oefenomgeving waar de student verwerkte kennis toepast en feedback ontvangt. Ik ben aan het nadenken over de oefenomgeving.

Geen Reacties

Laat een reactie achter

Hoor graag uw reactie!

%d bloggers liken dit: