— Leervlak.nl

Archive
icto

Deze week  verzorgde ik een presentatie over WebQuests op een bijeenkomst van het Vaknetwerk Aardrijkskunde (eHvA) op het Martinuscollege in Grootebroek.  In eerste instantie was ik even verbaasd over het verzoek, is er dan nog interesse in de WebQuest? Bernie Dodge ontwikkelde zijn model in 1995 en sindsdien zijn er veel WebQuests ontwikkeld, met Nederland als een van de grootgebruikers. Ik vind het een degelijk en ‘tijdloos’ ontwerp, laagdrempelig genoeg voor docenten om uitdagende en realistische opdrachten te ontwerpen die  hogere orde denkvaardigheden (of de 21st century skills) en de creativiteit van leerlingen/studenten centraal stellen. Maar we moeten wel constateren dat heel veel WebQuests die online aangeboden worden ‘low-level non-webquests‘ zijn, en nog erg gericht zijn op het internet van 1995 in plaats van die van 2011. Het is Dodge zelf die aangeeft dat het ontwerp mee moet gaan met z’n tijd en de ontwikkelingen op het web: “Use the medium! (pdf)

Visie op leren
Het zijn de ontwerpprincipes van Dodge die wat mij betreft de WebQuest als ontwerp zo ‘tijdloos’ maken. De bouwstenen (mooi uitgewerkt op webkwestie.nl) zijn zorgvuldig ontwikkeld rondom de gedachten van Lev Vygotski, met de zone van naaste ontwikkeling, John Dewey met zijn visie over actief leren en levensechte opdrachten en de vijf dimensies van leren (pdf) van Marzano. Het einddoel van een WebQuest is dat de leerling/student op een hoger denkniveau komt. Deze visie op leren is actueler en noodzakelijker dan ooit voor het onderwijs van vandaag en morgen.

Toch is het geen ingewikkeld ontwerp, prima uit te voeren door docenten. En ja, er wordt ICT bij ingezet, maar toch niet op zo’n schaal dat het docenten afschrikt. Kortom, een model dat uitstekend ingezet kan worden om betekenisvol onderwijs in een rijke leeromgeving te ontwerpen, die de leerling/student voldoende ondersteuning biedt om actief, zelfstandig en samen met anderen aan de slag te gaan.

Op de lerarenopleiding ontwikkelen studenten ook WebQuests. Het is een uitstekende oefening voor studenten om een online les met ICT te ontwerpen, waar de inhoud en didactiek heel duidelijk voorop staan. Het is ook een oefening om  te experimenteren in hoe je het leren van leerlingen kunt activeren en begeleiden zonder altijd terug te vallen op de veilige directe instructie. Dat is niet eenvoudig, en ik zie voor de studenten (maar ook docenten) in de bouwstenen een mooie houvast.

Low-level factual recall
Veel WebQuests worden echter niet met deze visie ontwikkeld en gebruikt. De structuur leent zich ook uistekend voor een snelle, kleinschalige ‘internetopdracht’, vaak ingezet voor de afwisseling in de lesDodge (pdf) maakte zich ook zorgen over:

At first I was gratified that so many people found the idea useful, but over time I could see a disturbing trend: a majority of the WebQuests educators were creating were not what I originally had in mind. Though they followed the format of Introduction, Task, Process, and Evaluation, they were focused on low-level factual recall. Instead of a task that called for analysis, synthesis, evaluation, judgment, problem solving or creativity, about 80% of the new WebQuests asked learners read web pages and find the answers to simple questions for which there was only one right answer. This, I knew, was preparation for the 19th century, not the 21st.
Een beter begrip van de WebQuest en hogere orde denkvaardigheden zijn dus van belang.

Use The Medium
Dit is een uitspraak van Dodge over hoe het web gebruikt moet worden in de WebQuest. Hij doelt op het gebruik van authentieke internetbronnen en het  gebruik van de  ’the deep web’. Maar Dodge vind ook de WebQuest mee moet gaan met de ontwikkelingen van het internet. In 1995 bezocht je internetpagina’s en de statische informatie die daar gepubliceerd stond. Nu kennen het internet van de prosumer, waar het eenvoudiger is voor leerlingen/studenten om online te creëren, te delen, te reageren, te overleggen, etc. Via computers op school of thuis, en mobiel via tablets en smartphones.

Ontwikkel een WebQuest op een weblog en laat ze discussiëren over stellingen en meningen formuleren. Laat leerlingen informatie verzamelen via bv. een tool als Clipmarks.com, ‘embedden’ in een wiki waar ze de informatie met elkaar kunnen vergelijken en verdiepen. Maak gebruik van VoiceThread.com om leerlingen hun ‘leren’ te laten uitspreken of een groepsdiscussie op te laten nemen. Er zijn nog weinig WebQuests die goed gebruik maken van deze mogelijkheden om op deze wijze hogere denkvaardigheden te trainen. Dodge zelf ziet bijvoorbeeld ook veel in virtual worlds, waar je leerlingen actief kunt betrekken in een rollenspel.

De WebQuest is een model dat zich uitstekend laat lenen voor het leren van de 21e eeuw en zich makkelijk laat aanpassen bij de ontwikkelingen van het web. De WebQuest gaat met zijn tijd mee. Het onderwijs ook?

Lees verder

Beste deelnemer van #iLearn2011,

Welkom op iLearn2011, de student-generated mini-conferentie ICT & Onderwijs, waar tweedejaars studenten van de lerarenopleiding in Amsterdam het resultaat van hun leervragen presenteren. iLearn2011 is de plek waar de studenten de opgedane kennis en vaardigheden expliciteren en toetsen in de praktijk. iLearn2011 is de plek om u te laten inspireren, op de hoogte te laten stellen van (nieuwe-) ontwikkelingen op het gebied van ICT & onderwijs en wellicht ideeën op te doen voor uw eigen lessen.

Verbinding
Maar iLearn2011 is meer! De mini-conferentie is vooral een ontmoetingsplek. Een plek waar gezocht kan worden naar verbinding. Verbinding tussen de ‘docent met ruime ervaring in het onderwijs’ en de ‘student die zich volop aan het ontwikkelen is’. Verbinding tussen verschillende opvattingen over leren en onderwijs. Verbinden van innovatieve ideeen met de praktijk.

Ontwikkeling
De sessies die u bezoekt zijn het resultaat van een periode lang werken aan een eigen leervraag op het gebied van ICT & Onderwijs. Dat is niet alleen een ontdekkingstocht op het gebied van technologie, maar met name op het gebied van de toepassing er van in het onderwijs en leren. Studenten komen in aanraking met andere visies op leren en onderwijs. Geen gemakkelijke opgave, wel erg belangrijk. Een startbekwaam docent moet in staat zijn om technologie te beoordelen en te waarderen op de kenmerken die het geschikt maken voor leren. Dat is een ontwikkeling die misschien start in deze periode, maar zeker nog niet afgerond is.

Feedback
Om de student hierbij te helpen geven wij hem feedback. Inhoudelijk en op het gebied van presenteren, maar ook over zijn of haar ontwikkeling als docent. Deelt u daarom alstublieft uw ervaring met de studenten en de andere aanwezigen. Stel uw eigen leervragen! Grote kans dat die hetzelfde zijn als van de student.  Laat u inspireren door de student, maar de student kan zich ook door u laten inspireren! Het zijn deze momenten van co-creatie, die iLearn2011 krachtig en betekenisvol maken voor alle aanwezigen!

De conversatie over technologie in onderwijs, gaat over nieuwe opvattingen over leren en vormgeven van onderwijs, gaat over nieuwe rollen van docent, student en leerling. Dat is een gesprek die we het beste met elkaar kunnen voeren. Dat is waar iLearn2011 voor bedoeld is.

Veel inspiratie en leerplezier toegewenst!

Namens de studenten van iLearn2011,

Jeroen Bottema
Marlies van Eunen

Lees verder

Volgende week maandag 17 januari van 13:00 – 17:00 is het zover. De tweede editie van de student-generated conference iLearn2011. Het programma is bekend. 5 tracks, 4 rondes, 21 sessies van 40 minuten. Presentaties, hands-on en round tables. Studenten hebben vorige week de laatste voorbereidende bijeenkomst gehad. De meeste studenten hebben het  wel voor elkaar, andere studenten besluiten toch nog om alles om te gooien. Het hoort er allemaal bij. We sluiten af met een Teachmeet (zie ook hier op dit blog), en die begint ook al aardig vol te lopen.

iLearn2011

Deze mini-conferentie ICT & Onderwijs is de afsluiting van een training eLearning die de tweedejaars voltijd studenten van de tweedegraads lerarenopleiding volgen. Aan het begin van de periode hebben zij een individuele leervraag gesteld op het gebied van ICT & Onderwijs. En dat was ook het enigste criteria. Voor de rest: anything goes!

De studenten hebben een periode gekregen om deze leervraag voor zich zelf uit te werken. Het resultaat presenteren zij op iLearn2011. Een aantal studenten die dezelfde leervraag hebben geformuleerd, hebben elkaar informeel gevonden en zijn gaan samenwerken. Ondertussen hebben een aantal studenten met dezelfde leervraag elkaar opgezocht en zijn verder samen gegaan. Zij hebben allen een proposal geschreven voor de mini-conferentie, waarin ze helder de sessie hebben beschreven, doelstellingen hebben geformuleerd en verwachtingen hebben gecreëerd.

Voor wie?
iLearn2011 is een conferentie gericht op mede-studenten en docenten van het Domein Onderwijs, Leren & Levensbeschouwing. Voor deze editie hebben wij ook het directe werkveld uitgenodigd, docenten op de praktijkscholen die verbonden zijn met het domein. Ook de bezoekers van de Teachmeet zijn van harte welkom (u kunt zich hier inschrijven).

De bezoekers hebben een actieve rol op de conferentie. Natuurlijk gaat het om opdoen van nieuwe ideeen en inspiratie. Maar het publiek is ook onderdeel van de leerprakijk. Zij vullen een evaluatieformulier in en zijn op deze wijze betrokken bij een deel van de beoordeling. Maar belangrijker is dat het gaat om een meeting of the minds.

De studenten zijn leraren-in-opleiding, volop in ontwikkeling als het gaat om didactiek en hun eigen rol als docent. Deze ontwikkeling staat centraal in deze training. Studenten komen vaak voor het eerst in aanraking met technologie vanuit een perspectief van leren en onderwijs. Het is belangrijk dat ze inzicht krijgen in hun competenties op dit terrein, en wat daarbij helpt is de feedback van mede-studenten, opleiders en collega’s uit het werkveld. iLearn2011 biedt hier een platform voor. Docenten leren van studenten, studenten leren van docenten.

Filmen met je mobiel
De keynote wordt verzorgd door Liesanne Bosman en Meldrid Ibrahim. Zij coördineren het project “Filmen met je mobiel“, waar ik op dit blog al eerder over heb bericht. Wij hopen dat door deze inleiding de aanwezige studenten en docenten een genuanceerder beeld krijgen van hoe jongeren technologie gebruiken en hoe je deze op betekenisvolle, en vooral creatieve, wijze kunnen inzetten in het onderwijs.

Overigens zullen wij een deel van iLearn2011 live streamen, niet met een mobiel, maar via MediaSite.

iLearn2011 beloofd een speciale editie te worden, en ik hoop op een leerzame en innovatieve ontmoeting tussen studenten en docenten. En wie weet daar allemaal uitkomt!


Lees verder

Why aren’t students watching lectures on their own, at their own pace, in their dorms? Why aren’t we using the 300-person gathering at 10 a.m. every Tuesday and Thursday as an opportunity for active peer-to-peer instruction rather than a passive, one-size-fits-all lecture?

Dit schrijft Salman Khan, oprichter van de Khan Academy, in een artikel voor The Chronicle of Higher Education. De voordelen van on-demand video/weblectures boven de ‘traditionele hoorcollege’ zijn volgens hem:

  • De student kan naar eigen inzicht en tempo pauzes inlassen en fragmenten herhalen;
  • De student kan zich gericht focussen op de onderwerpen/fragmenten die voor hem of haar relevant zijn op dat moment (ik heb zelf een voorkeur van een serie korte weblectures over een bepaald thema);
  • Docenten kunnen real-time informatie verzamelen over hoe studenten (individueel en als groep) de weblectures gebruiken: hoe vaak, welke onderdelen en voor welk doel. Er is meer data om te bekijken hoe de colleges het beste de andere studieopdrachten van de student kan ondersteunen;
  • Een vakgroep zou de weblecture kunnen laten verzorgen door een docent/expert die het onderwerp goed kan brengen en uiteraard passie voor zijn vak heeft. Die expert zou ook van ‘buiten’ kunnen komen.
  • Het maakt de handen van de docent vrij om de contactmomenten met de studenten op een betekenisvolle wijze te organiseren.

Een argument voor het houden van een hoorcollege is dat het de student de mogelijkheid biedt om ‘live’ vragen te stellen aan de docent/expert. Maar in realiteit, zo stelt Khan, nemen de meeste studenten de moeite niet om hun vinger op te steken, bewust van de tijd of onzeker over evt. reacties van mede-studenten of de docent. Vragen die gesteld worden, zijn vaak maar relevant voor een klein gedeelte van de deelnemers.

Het aanbieden van de weblecture maakt het volgens Khan waarschijnlijker voor de student om direct van de docent te leren, als de student zelf kan bepalen wanneer hij of zij dat nodig acht. Overigens zijn er voldoende mogelijkheden voor de student om vragen te stellen via de lecture tool of een backchannel, als Twitter of een forum. De docent kan die vragen met meer aandacht voor de individuele student behandelen, in de context van het leerproces van die individuele student.

Wat ik interessant vind aan het inzetten van weblectures in het onderwijs, bijvoorbeeld bij ons op de lerarenopleiding, zijn de vragen die het opwerpt met betrekking tot het herontwerp van onderwijs. Weblectures kunnen ondersteunend zijn in het ontwerpen van leerpraktijken waar de student centraal staat. Er ontstaat ruimte voor andere, activerende werkvormen, met een focus op verdieping en ondersteuning, onderdelen die studenten vaak in relatieve isolatie zelf moeten uitzoeken omdat daar in het reguliere college vaak geen tijd voor is door de plek van het verhaal van de docent.

Door de inzet van weblectures geef je studenten gedeelde verantwoordelijkheid over het leerproces. Je zegt ook tegen de student: ik heb vertrouwen dat jij het beste weet wat je nodig hebt voor deze leertaak en als je er niet uitkomt dan bied ik ondersteuning. Khan zegt dat het aanbieden van weblectures de docent ‘vrij maakt’ om een actief deelnemer te zijn in een ‘interactive, peer-to-peer problem solving powwow in the classroom‘.

Dat vereist wel dat weblectures niet alleen worden ingezet ten behoeve van ‘registratie’ maar dat de leerpraktijk zo wordt ontworpen dat de weblecture een positief effect hebben op het leerproces van de studenten.

Salman Khan








Afbeelding: sjbeez.org

Lees verder

…increasing the access of students to machines, from 125 students per computer to currently less than 4:1 does not automatically lead to teachers and students using computers for instruction routinely.  Access to an innovation, then, does not mean frequent teacher use in classrooms.

Larry Cuban vergelijkt in “Blaming Doctors and Teachers for Underuse of High-Tech Tools“ de situatie in het (Amerikaanse-) onderwijs met een voorbeeld uit de Amerikaanse gezondheidszorg. Het blijkt dat ziekenhuizen en artsen zog. ‘Electronic Health Records (digitaal patientvolgsysteem) nauwelijks of maar gedeeltelijk toepassen in de dagelijkse praktijk, ondanks de belofte dat deze systemen ‘de kwaliteit van zorg zouden verbeteren’. Artsen zien het blijkbaar niet als de oplossing, want vinden dat het niet efficiënt werkt, hebben moeite met de vaak complexe systemen, zijn kritisch over de kosten en vinden dus dat het onvoldoende aansluit bij de dagelijkse medische praktijk.

Ondanks het feit dat deze applicaties door IT-bedrijven worden gemaakt, en het maar de vraag is hoe diep hun inzichten zijn in de dagelijkse medische praktijk, krijgen de artsen de schuld van het niet gebruiken van de applicaties. Hij noemt drie oorzaken:

  1. Te hoge verwachtingen van de resultaten van de technologie in handen van de artsen en docenten. Het gaat om dure technologie, hoge investeringen, dus de gebruikers moeten het wel omarmen als de oplossing! Als dan blijkt dat het gebruik tegen valt, dan bieden de docenten en artsen weerstand.
  2. Dergelijke ICT-toepassingen zijn gericht op het efficiënter registeren en uitvoeren van handelingen, terwijl dat zeker in het begin veel tijd en energie vergt om er op die wijze mee om te gaan. Dat kan dan de dagelijkse praktijk domineren, terwijl de focus juist moet liggen op het opbouwen van een vertrouwensrelatie met de patiënten en  leerlingen. En voor vertrouwen en respect heb je niet perse een ICT-toepassing nodig. Een reden waarom docenten en artsen terughoudend kunnen zijn.
  3. De ontwikkelaars van de IT -toepassingen hebben vaak geen compleet beeld van de dagelijkse praktijk van een docent of arts. Zij ontwikkelen de applicaties ‘in een andere cultuur’ en zijn gebonden aan andere regels. Met als gevolg dat de applicatie onvoldoende aansluit bij de dagelijkse praktijk.

Het lijkt me helder dat artsen en docenten in deze gevallen ten onrechte beschuldigt worden en dat hun expertise veel beter benut moet worden in het ontwikkelen van medische- en educatieve ICT-toepassingen.

Ik ben niet helemaal gelukkig met het voorbeeld van een digitaal patientvolgsysteem dat Cuban gebruikt.  Een dergelijke toepassing, waar de focus vooral op die van de organisatie en administratie ligt, kun je niet zomaar vergelijken met ICT-toepassingen ten behoeve van instructie in het klaslokaal. Dan hebben we het vooral over ICT-toepassingen met een leerfunctie, die kennisverwerving en kennisconstructie van leerlingen ondersteunen en versterken.

Zijn er dan, naast de drie bovenstaande oorzaken, andere oorzaken aan te wijzen waarom docenten vaak de schuld krijgen van het weinig inzetten van ICT-toepassingen? Het ontbreken van voldoende ICT-vaardigheden bij docenten vind ik te gemakkelijk. Cuban heeft het in zijn verhaal bijvoorbeeld over artsen en docenten die thuis wel volop gebruik maken technologie.

  1. Docenten hebben onvoldoende kennis en/of zijn onzeker over hoe de technologie in te zetten om leerprocessen effectief te ondersteunen (digitale didactiek, arrangeren met digitale leermiddelen). Er is dan onvoldoende bewijskracht voor de docent dat de ICT-toepassing echt meerwaarde heeft, het ontbreekt aan overtuigende succeservaringen.
  2. Inzet van technologie past bij een instructiemodel waar de leerling meer architect is van zijn eigen leren en waar de docent de rol van begeleider en coach heeft. Docenten kunnen moeite hebben om het vaak  ’veilige’ docent- en vakgestuurde instructiemodel los te laten, door gebrek aan kennis en vaardigheden, onvoldoende ondersteuning door de schoolleiding of door ontbreken van de wil.
  3. Docenten krijgen onvoldoende tijd en ruimte van de schoolorganisatie om de ICT-toepassingen op een verantwoorde wijze in te zetten. Het toepassen van ICT vraagt een andere voorbereiding dan een ‘traditionele les’ en kost zeker in het begin vaak meer tijd. Dit wijst ook op het ontbreken van een goede visie op het leren met behulp van ICT bij de schoolleiding. De schoolleiding moet ruimte en ondersteuning bieden voorvoor experimenten en onderwijsontwerp.

Zijn er meer oorzaken? Het vingertje wijzen naar de docenten is te makkelijk. Belangrijk is dat de schoolleiding een duidelijke visie ontwikkeld over leren met en door ICT op de school en dat ook communiceert naar de collega’s. Het gaat hier om veranderingstrajecten, om de ontwikkeling van een kritische community of practice. Ik vind dat dergelijke trajecten al op de opleiding beginnen.

(Op iLearn2011 zal een student een sessie verzorgen over hoe het komt dat er vaak drempels worden ervaren door docenten bij het gebruik van ICT, soms zelfs zichtbaar in frustratie. Dat inspireerde mij tot het schrijven van deze blogpost.)

Afbeelding: a2gemma @Flickr

Lees verder

In het onderwijs, bedrijfsleven en bijv. hulp-organisaties wordt gebruik gemaakt van virtuele simulatie-omgevingen, waar complexe scenario’s getraind kunnen worden in een veilige omgeving. Deze virtuele trainingsomgevingen worden steeds levensechter, waardoor er meer fysieke overeenkomsten ontstaan met de werkelijke wereld. En hoe meer de virtuele wereld op de echte lijkt, hoe beter de opgedane kennis en vaardigheden in die virtuele omgevingen overgedragen kunnen worden naar de echte. Wat betreft Guy Boulet in een al wat ouder artikel (maar die toch deze week in mijn feedreader opdook) in eLearn Magazine moet er een ander accent komen op die levensechtheid.

Transfer
Boulet vraagt zich af of en hoe virtuele omgevingen bijdragen in de effectieve transfer van kennis en vaardigheden naar de realiteit. Hij onderkent de voordelen van het gebruik van virtuele omgevingen in het trainen van complexe vaardigheden en scenario’s. Echter,  als er geen sprake is van transfer van kennis van de virtuele naar de werkelijke omgeving, dan zijn ook de voordelen virtueel en dan worden de deelnemers minder of niet goed getraind.

In virtuele trainingsomgevingen doen deelnemers ruimtelijke kennis op. Door te navigeren in een virtuele ruimte verwerf je kennis die leidt tot een gevoel van herkenning en een beter vertrouwen in eigen kunnen als het gaat om ‘navigeren’ in de echte wereld. Hoe meer de virtuele omgeving de werkelijkheid weergeeft, hoe groter dat vertrouwen, hoe beter de transfer.
Maar ruimtelijke kennis alleen is niet voldoende om levensechte taken uit te voeren. Daar heb je procedurele kennis voor nodig en die doe je vooral op door ervaringen, door te handelen in specifieke situiaties. Voor effectieve transfer van deze procedurele kennis is het vooral van belang de context van de virtuele omgeving zoveel mogelijk overeenkomsten vertoont met de werkelijkheid.

Realistische taken
Bovenstaande verklaart waarom virtuele omgevingen steeds levensechter worden, geholpen door de ontwikkelingen op 3D-gebied en ‘augmented reality’. Boulet stelt echter dat een realistische fysieke virtuele omgeving alleen niet voldoende is. Het gaat met name om de opdracht en de handelingen die realistisch moeten zijn en de deelnemers moeten motiveren om er van te leren.

Het ontwerp van deze complexe taken heeft prioriteit boven de grafische interface. Om het verwerven van kennis te ondersteunen moeten deelnemers in de virtuele omgeving dezelfde rollen spelen als die ze tegenkomen in de echte wereld. Ook de interactie met andere deelnemers in de virtuele omgeving draagt bij aan betekenisverlening en verwerven van kennis.

Voorwaarden voor virtuele trainingen
In het artikel worden 6 voorwaarden beschreven voor virtuele trainingen, om de transfer van kennis en vaardigheden naar de werkelijke wereld effectiever te maken:

  1. De deelnemer heeft het gevoel dat hij deelneemt aan een realistische activiteit, en handelt daar ook naar, ondanks het feit dat hij in een virtuele omgeving werkt. Dit wordt ook wel ‘immersive learning‘ genoemd.
  2. Deelnemers moeten met elkaar kunnen samenwerken en groepstaken kunnen uitvoeren. Dit betekent dat virtuele omgevingen via internet of intranet goed bereikbaar zijn en dat onderliggende databases snel de handelingen van de deelnemers kunnen verwerken.
  3. Kennis en betekenisverlening wordt verworven via ervaringen. Voor de virtuele omgeving moet dus een goed en uitdagend ‘verhaal‘ ontworpen worden, zodat deelnemers ervaringen opdoen die leiden tot nieuwe kennis.
  4. De virtuele omgeving moet ‘karakters‘ kennen die het leren van de deelnemers kan ondersteunen. Deze rollen vertonen realistisch gedrag en reageren op de handelingen van de deelnemers. De rol kan geautomatiseerd zijn of gespeeld worden door een begeleider of deelnemer.
  5. De omgeving waar het verhaal zich afspeelt moet realistisch overkomen en voorzieningen bieden die het leren stimuleert.
  6. Er moet voldoende sturing zijn in de virtuele omgeving. Deelnemers moeten de juiste feedback ontvangen over hun handelingen en daarmee beter inzicht verwerven. Dit kan door een begeleider die de handelingen van de deelnemers bestudeert en/of door een virtuele coach.
Goed om dit even op een rijtje te krijgen. Ik ben zijdelings betrokken bij een project waar in het ontwerp elementen uit simulaties en games gebruikt worden in het opleiden van docenten via een virtuele leeromgeving. De inzichten kunnen ook gebruikt worden in de discussie over de inzet van ‘serious gaming’ in het onderwijs en het ontwerpen van leerpraktijken in virtuele omgevingen.

Afbeelding: RescueSim

Lees verder

Het is al weer een paar weken terug, maar ik wil toch nog verslag doen van de Kennisnet bijeenkomst “ICT in de opleiding, nut of noodzaak?” op 17 november in het Spoorwegmuseum. Helaas heb ik de Hogwarts Express niet kunnen aanschouwen, maar wel gehaald waar ik voor kwam: de stand van zaken met betrekking tot de implementatie van de kennisbasis ICT in de lerarenopleiding. De middag leverde een aantal aanbevelingen op voor integratie van ICT in de opleiding.

Aanbevelingen voor de opleidingen
“Bereiden lerarenopleidingen hun studenten wel goed voor op een onderwijssituatie waarin ICT een belangrijk hulpmiddel kan zijn?” Deze vraag stond centraal in de presentatie van lector Guus Wijngaards. Het lectoraat eLearning heeft in samenwerking met Kennisnet dit jaar in opdracht van het OECD onderzoek (pdf) gedaan naar de stand van zaken op het gebied van ICT in de lerarenopleiding. Wijngaards sprak eerst over zijn beeld van een ideale leersituatie, waar er sprake is van een effectieve docent die:

  • gericht is op samenwerking;
  • zijn leven lang leert;
  • op een creatieve manier omgaat met het curriculum, zodat het onderwijs tot de verbeelding spreekt
  • een groot voorstellingsvermogen heeft en buiten bestaande kaders kan denken
  • risico’s durft te nemen, bijv. als het gaat om het hebben van vertrouwen in lerenden
  • een rolmodel is voor zijn leerlingen/studenten, bijv. als het gaat om een reflectieve houding en global awareness

Wijngaards spreekt ook over de zelfverzekerde student die:

  • allerlei technologische vaardigheden beheerst;
  • ICT gebruikt om op afstand te kunnen leren;
  • ICT als vanzelfsprekend gebruikt, op een creatieve manier en informeel leert;
  • in staat is om het gebruik van nieuwe ICT snel eigen te maken;
  • aanvoelt wanneer ICT nuttig kan zijn voor leren;
  • kan vertellen hoe ICT het leren kan ondersteunen;
  • de juiste ICT kiest voor iedere taak;

Ik zou daar aan toe willen voegen, of het tweede punt aanvullen, met het vermogen om zich met behulp van ICT  te verbinden met anderen en samen te werken.

Vanuit het praktijkonderzoek kwam Wijngaards vervolgens met een aantal aanbevelingen voor lerarenopleidingen als het gaat om ICT:

  • Vertaal visie naar een realitisch beleidsplan (hij gaf aan weinig scholen te kennen met een realistisch beleidinsplan om ICT te integreren)
  • Leg het ICT beheer in professionele handen (als in ICT is niet alleen iets van de voorlopers en de IT-ers, het hoort bij onderwijs en leren)
  • Zorg voor breed gedragen innovaties in maakbare stappen
  • Blijf voortdurend de prioriteiten herrijken
  • Zorg er voor dat de grote middengroep van docenten geen keuze heeft (“zo gaan we ICT inzetten”, deze groep is met de juiste ondersteuning en prikkels bereid om dat te doen)
  • Bij sollicitatieprocedures en functioneringsgesprekken: ICT-vaardigheden zijn belangrijk!
  • Integreer de kennisbasis ICT competenties
  • Zorg voor een didactische helpdesk als het gaat om ICT
  • Stuur zelfsturing aan
  • Zoek naar bewijskracht: laat onderzoek en onderwijs samengaan

Didactiek in Balans
Alfons ten Brummelhuis presenteerde vervolgens een aantal resultaten uit het het onderzoek Didactiek in Balans Lerarenopleiding 2010. Het blijkt dat lerarenopleidingen ICT middelmatig inzetten. In het onderzoek is het didactisch handelen van de lerarenopleiders gericht op kennisoverdracht en kennisconstructie. Bij beide is gekeken naar met en zonder ICT. Het blijkt dat:

  • kennisoverdracht zonder gebruik van ICT komt het vaakst voor
  • kennisconstructie zonder ICT komt meer voor, maar wel minder dan kennisoverdracht zonder ICT
  • kennisoverdracht en -constructie met ICT komt minder vaak voor dan zonder ICT, de inzet wordt getypeerd als ‘af en toe’ en ‘tamelijk vaak’.

Ten Brummelhuis geeft aan dat de ambities van de opleiders iets verder gaan, als in: de intentie om vaker aandacht te besteden aan kennisoverdracht en – constructie met ICT. Ten Brummelhuis: “Dat ambitieniveau mag hoger!”

Ten Brummelhuis hield  in zijn presentatie een pleidooi om in het onderwijs meer op zoek te gaan naar de bewijskracht van de meerwaarde van ICT in het onderwijs. Hij gebruikte hiervoor een plaatje van een een kennispiramide (zie ietwat vage afbeelding hieronder), met bovenin de vormen van bewijs over wat werkt. Kijk je naar de resultaten van het onderzoek dan zitten we nog te veel onderin de piramide, afhankelijk van enthousiaste voorlopers. Ten Brummelhuis: “We moeten naar de top, zodat we op basis van onderzoek kunnen stellen: er is eigenlijk geen reden om bepaalde ICT niet in te zetten!”.

Kennisbasis ICT
De rest van de middag stond in het teken van het uitwisselen van kennis er ervaringen door aan te schuiven aan verschillende thema-tafels. De eerste ronde koos ik voor de tafel “Kennisbasis ICT“. De vertegenwoordigers van de verschillende lerarenopleidingen gaven aan hoe het stond met de invoering van deze kennisbasis. Wat punten die ter tafel kwamen:

  • de meeste opleidingen zijn dit schooljaar gestart, of bereiden voor voor schooljaar 2011-2012 (rond 2014-2015 komen de eerste startbekwame docenten die de kennisbasis ICT beheersen);
  • de PABO’s kijken naar de ADEF-kennisbasis ICT en kijken naar een ‘vertaling‘;
  • de kennisbasis ICT als instrument om docenten uit hun isolement te halen en te verbinden met het werkveld en student;
  • één opleiding koppelende de  implementatie aan een project waar het herontwerp van onderwijs centraal staat;
  • zorg dragen voor basiscursussen instrumentele vaardigheden, rest van kennisbasis koppelen aan stagepraktijk (wat mij betreft in de vorm van bijeenkomsten gecombineerd met flexibel online aanbod);
  • didactiek is uitgangspunt: TPACK;
  • één opleiding stelt ICT praktijkonderzoek verplicht;
  • studenten presenteren bewijsmateriaal kennisbasis in hun portfolio (daar is een ICT-paragraaf in opgenomen);
  • implementatiestrategie: neem docenten en studenten beide mee in dit traject (daar ontkomen we niet aan);
  • gebruik maken van ICT vakcoaches, die collega’s gericht ondersteunen;
  • vanuit het werkveld denken: kennisbasis opnemen in kenmerkende beroepssituaties;

De lerarenopleiding waar ik werk start in begin 2011 met de implementatie. Een aantal van bovenstaande punten komen ook terug in onze plannen. Herkenbaar zijn de punten als het betrekken van het werkveld, de kennisbasis als professionaliseringsinstrument van de opleiders (en wat mij betreft dus ook het werkveld), didactiek als uitgangspunt (TPACK) en de koppeling van de kennisbasis aan de praktijk, door bijv. het formuleren van kenmerkende beroepssituaties.

Een vruchtbare middag, goed om de positie van ICT in de opleiding weer scherp te krijgen, en de aanbevelingen en ervaringen mee te nemen in de plannen! Nu vooral doen!

Jammer, dat ik de Hogwarts Express heb gemist, had graag gezien hoe de kennisbasis ICT op Hogwarts/Zweinstein is geïmplementeerd.

Lees verder

Vandaag verzorgde ik voor studenten van de kopopleiding  een introductiesessie over digiborden. Studenten schoven de pepernootjes vooral naar de kolom ‘beginner’ toen ik ze vroeg naar hun ervaring met het digibord bij binnenkomst. Een enkeling had wel een digibord in het lokaal hangen, maar gebruikte het met name als projectiescherm.

Ik ben geen beginner meer als het gaat om het digibord, maar ben zeker nog geen expert! Het is geen instrument dat ik dagelijk gebruik, en daar moet ik het wel van hebben: leren door doen. Ik smul graag van de #digibord tweets op Twitter en de digibord-posts van Andre Manssen, daar leer ik op informele manier veel van. Ik ben vooral geïnteresseerd in de didactiek van het digibord (hat tip to Michel van Ast) en onderzoek met studenten de mogelijkheden om met behulp van het digibord een effectieve en interactieve les te ontwerpen.

Vandaag heb ik met studenten de basics van het SMARTboard besproken, voorbeelden van software en bronnen besproken die goed werken in combinatie met het digibord (tip van student over virtuele tours bij deze toegevoegd aan presentatie) en kijken wat de mogelijkheden zijn voor een effectieve en interactieve les. Hiervoor heb ik een demo laten zien met een aantal hide-, move-, -pull & reveal trucs in de Notebook software. Vervolgens zijn de studenten in twee-tallen gaan experimenteren met deze trucs. Op deze manier maakte ze kennis met de toolbar en het werken met objecten, en dat het maken van een digibord-instructie een hele heldere strategie vereist van een docent.

Hieronder de presentatie en het demo notebook bestand.

Lees verder

“Na een paar maanden van relatieve stilte rond de TeachmeetNL lijkt het erop dat we in 2011 weer helemaal los gaan”, schrijft Fons van den Berg op de site van TeachmeetNL. Klopt, en we starten met de TeachMeetNL iLearn2011 op maandag 17 januari georganiseerd door de tweedegraads lerarenopleiding van Hogeschool Inholland in Amsterdam.

Wat is een TeachMeet?

Een TeachMeet is een informele bijeenkomst voor iedereen die nieuwsgierig is naar technologie in het onderwijs. Iedereen kan deelnemen en zijn ideeën of geweldige ervaringen uit zijn onderwijspraktijk met anderen delen. Uitgangspunt is: de borrel = de conferentie. Een TeachMeet is een unconference. De bedoeling is dat het de leukste professionaleringsbijeenkomst is die je kent.

Schrijf je in! Laat je inspireren, ontmoet nieuwe mensen, bedenk mooie ideeën onder het genot van een hapje en een drankje! Beter nog: draag bij! Met een micro-of nano-presentatie.  Of op een andere wijze, er staat niets vast! Ga naar de TeachMeetNL wiki voor meer informatie over de TeachMeetNL #ilearn2011, de spelregels en hoe je je kunt aanmelden.

Deze Teachmeet wordt aansluitend aan iLearn2011 georganiseerd, een ‘student generated’ mini-conferentie over ICT & Onderwijs. Tweedejaars studenten van de tweedegraads lerarenopleiding Domein Onderwijs, Leren & Levensbeschouwing van Inholland presenteren door middel van presentaties, workshops en round tables hun leervragen op het gebied van ICT en onderwijs.

De studenten werken nu aan het ‘beantwoorden’ van hun leervraag en aan de voorbereidingen van actieve- en inspirerende sessies. Aanbod komen thema’s als digiborden; games in het onderwijs; effectief presenteren; social media; digitale leermiddelen; digitale didactiek en nog veel meer. De studenten willen graag hun kennis delen en de dialoog aangaan over de inzet van ICT in het onderwijs en leren.

iLearn2011is toegankelijk voor iedereen die binding heeft met het gebruik van ICT in het Onderwijs. Medewerkers en studenten van het domein OLL van Inholland, maar ook ‘externen’ zijn bij deze van harte uitgenodigd! Hier vind je meer informatie (en binnenkort het programma).

En daarna dus de TeachMeet! Waar studenten, onze leraren van de toekomst, lerarenopleiders, docenten uit het werkveld, ICT & onderwijs experts, innovatoren en creatievelingen elkaar ontmoeten! Dat noemen we met recht een ‘onderwijsfeestje’!

(en nog zo’n feestje gaat plaatsvinden op woensdag 2 februari: TeachMeetNL PO (Aloysiusschool Maasland)
Update: 16-01-2011: uitgesteld!

Lees verder

‘Lang, lang geleden’, deed ik op deze plek een oproep naar leerpraktijken die op een succesvolle wijze web 2.0 technologie inzetten. Het lectoraat eLearning was op zoek naar de kenmerken van deze succesvolle leerpraktijken en vroeg zich af of en welke van die kenmerken geschikt zouden zijn voor het herontwerpen van leepraktijken in vergelijkbare- en minder vergelijkbare situaties.

Daar zat ook nieuwsgierigheid in naar de vraag in welke mate  de ‘affordances’ van web 2.0 technologie zouden bijdragen aan gedeeld eigenaarschap tussen lerenden en docent/begeleiders: co-creatie!

Het onderzoek, onder de noemer van het internationale ‘Students’ Voices project, is afgerond en heeft geresulteerd in de beschrijving van vijf verschillende casussen incl. bijbehorende ‘flipumentaries’.

Casussen
De oproep leverde een respons op van ongeveer 30 casussen. Uit deze longlist volgde een shortlist, en daaruit een selectie van casussen. Na introductiegesprekken en een documentstudie hielden we met de betrokkenen (lerenden en docenten/begeleiders) half-open interviews op basis van een analyse- en evaluatiekader. Hieruit volgde een casebeschrijving en een cross-case analyse.

De vijf casussen die we hebben beschreven zijn:

  1. Knowmads, een ‘school voor de talented outcast’, waar ondernemerschap, sociale innovatie en leren door doen centraal staat;
  2. GNR8, een leerwerkbedrijf van Hogeschool Inholland, die ‘student generated’ mediaprojecten uitvoeren voor het bedrijfsleven;
  3. Hairlevel XL, een visueel zeer aantrekkelijke online leeromgeving voor leerlingen die de kappersopleiding volgen;
  4. Gamemuseum in Delicious, een initiatief van een docent die zijn studenten via social bookmarking een ‘gamemuseum’ inricht;
  5. Mees’ podcasting, de ‘bijna altijd’ wekelijkse radiopodcasts van Maarten Hendrikx met zijn leerlingen (in combinatie met Twitter).

Succesfactoren
Kort over de resultaten (voor een uitgebreid verslag verwijs ik u naar de rapportage). U ziet hem wellicht aankomen, er is geen eenduidige succesformule aan te wijzen! Maar dit zijn de de succesfactoren die de leerpraktijken met elkaar delen. En nogmaals, deze factoren zijn aangegeven in de interviews met de betrokkenen, waaronder ook de lerenden. De students’ voice komt hierin terug.

  1. Bij alle leerpraktijken is er sprake van intrinsieke motivatie. Lerenden geven duidelijk aan een bepaalde mate van mede-eigenaarschap over de leerpraktijkte ervaren. Er is sprake van co-leren, er wordt mede vorm gegeven aan het leerproces en leerproduct;
  2. De leerpraktijken sluiten nauw aan bij de praktijk en de belevingswereld van de studenten. De leerpraktijken zijn authentiek! Echt! Er is sprake van leren door doen. Dit activeert de lerenden, en draagt vervolgens weer bij aan motivatie en eigenaarschap;
  3. Er worden veilige leeromgevingen gecreëerd, waar leerlingen verantwoordelijkheid krijgen. Bij de ene leerpraktijk vindt er op dit terrein meer sturing plaats dan andere, maar dat hoeft niet af te doen aan de mate van eigenaarschap die de lerenden ervaren. Belangrijk bij deze succesfactor is het vertrouwen dat lerenden krijgen van hun docenten/begeleiders. Hierdoor ontstaat ruimte voor creativiteit, zelf-ontplooiiing en betrokkenheid;
  4. De web 2.0 technologie is alomtegenwoordig en laagdrempelig in gebruik. Lerenden kunnen de tools inzetten op een wijze die het best aansluit bij hun persoonlijke leervoorkeuren. Als de didactische strategie o.a. de drie bovenstaande succesfactoren bevat, dan wordt zichtbaar dat de inzet van web 2.0 de actieve betrokkenheid bij het vormgeven van de leerprakijk versterkt. De inzet en de gebruikte functies van web 2.0 wordt wel sterk bepaald door de organisatie van de leerpraktijk, die van formeel tot informeel kan zijn. Interessant in dit geval is de casus Hairlevel XL, die niet zozeer de bekende web 2.0 technologie inzetten binnen het curriculum, maar de functionaliteiten en visie daarachter ‘adopteren’ en vormgeven in een ‘veilige, afgesloten’ leeromgeving. Een formele benadering, maar zeer taakgericht en dat draagt zeker bij tot een mate van succes.
  5. Alle betrokken docenten en begeleiders zijn ervaren gebruikers van de web 2.0 technologie. Het zijn voorlopers die durven experimenteren met technologie, en daar ook de ruimte voor krijgen/nemen. Het zijn vooral didactici die het individuele leerproces van de lerenden voorop hebben staan, en kennis hebben over hoe web 2.0 in te zetten om dit leren te bevorderen. Het zijn docenten die open staan voor samen leren en vertrouwen hebben in de lerenden.

Matrix
In de cross-case analyse hebben we vervolgens getracht de leerpraktijken te typeren. Dit hebben we gedaan vanuit de aanname dat de inzet van web 2.0 technologie bijdraagt aan mede-eigenaarschap, dat de basis is voor co-creatie en co-productie in de leerpraktijken. Is de lerende volledig eigenaar, dan is er sprake van informeel leren, dat we ook zien als een van de aspecten van web 2.0.  Hoe meer ruimte de lerende krijgt om de leerpraktijk mede vorm te geven, en hoe groter de rol van Web 2.0-technologie, hoe meer er wellicht sprake kan zijn van informeel leren. Hoe minder er sprake is van een vooraf ontworpen leerpraktijk en hoe meer dat afhankelijk is van een proces, hoe groter het aandeel is van informeel leren is en hoe groter het aandeel mede-eigenaarschap wordt. En dat zie je o.a weer terug in hoe de lerenden en hun docenten/begeleiders de web 2.0 technologie gebruiken, namelijk meer functies en ter ondersteuning van een groter gedeelte van het leerproces.

Overdraagbaarheid
De overdraagbaarheid van de succesfactoren van de verschillende casussen is een lastig verhaal. De leerpraktijken kennen hun specifieke context. Het succes van de leerpraktijken wordt bepaald door de betrokkenen, die geven de leerpraktijk een uniek karakter mee. Bovendien is er sprake van maatwerk. Als we het hebben over overdraagbaarheid dan moet je de genoemde succesfactoren eerder  als voorwaarden en ontwerpprincipes nemen in het ontwerp van leerpraktijken in vergelijkbare en minder vergelijkbare contexten.

Ten slotte
Lees het volledige rapport hier. Op dezelfde site treft u ook de bijbehorende filmpjes aan die door studenten van GNR8 (Sammy & Dave) zijn gemonteerd en bestaan uit o.a. Flip-opnames die we hebben gemaakt ten behoeve van het onderzoek. In deze filmpjes hebben we getracht zoveel mogelijk de students’ voice naar voren te laten komen. Hieronder treft u een presentatie aan die we hebben gebruikt tijdens de Dag van het Onderzoek van Inholland op 4 november 2010.

Het is het tweede Students’ Voices onderzoek waaraan ik heb mogen meewerken, en ben eigenlijk weer verrast door de meningen en de beleving van de leerlingen en de studenten als het gaat om vormgeven van onderwijs. Het is ook niet voor niets dat we onderwijsinstellingen het advies geven om ruimte te bieden voor nieuwe initiatieven die samen met de leerlingen en de studenten worden ontwikkeld.

De kans is groot dat er een innovatieve leerpraktijk onstaat en dat de technologie ook daadwerkelijk wordt ingezet en bijdraagt aan de kwaliteit van leren.

Lees verder