— Leervlak.nl

Archive
November, 2009 Monthly archive

flitspaalDinsdag 3 november organiseerde het domein Education van Hogeschool INHolland een studiedag. De middagsessies waren gevuld met workshops. Ik volgde onder andere de workshop plagiaatpreventie, verzorgd door Mirjam Winkelmolen van OKR. Naast een discussie over wat plagiaat(preventie) is keken we ook naar de toepassing Ephorus.

Kort mijn leerpunten.

1. Je kunt onderscheid maken in bewust en onbewust plagiëren. Bewust plagiaat is het als je werk van anderen laat doorgaan voor eigen werk. Dat valt onder frauderen. Onbewust plagiaat is het als je door onwetendheid werk anderen overneemt, onjuist citeert of onjuist de bronnen vermeld. Ook als je teksten of ideeën van anderen vertaald in eigen woorden, mag je die niet toeschrijven aan je zelf.

2. Wat zijn redenen om (bewust) te plagiëren? Zaken zoals gebrek aan tijd, prestatiedruk, wel of niet serieus nemen van de opdracht, taalbeheersing maar ook gebrek aan zelfvertrouwen.

3. De nadruk moet op preventie liggen, niet op sancties.

Wat er van de student wordt gevraagd is het leveren van een authentieke tekst. Hierdoor laat de student zien dat hij of zij boven de stof staat. Maar wanneer sta je als student boven de stof? Voordat je de paper schrijft of juist door het schrijven van de paper. Ik mij goed voorstellen dat de student niet altijd even zeker is over zijn eigen kennisniveau en naar andere bronnen kijkt met het idee: het werk van anderen is beter. Heb ik zelf ook wel last van.

Ik vind dat je duidelijke grenzen moet stellen (frauderen doe je niet), maar als het gebeurt, moet je wel oog hebben voor de achterliggende redenen en de student daarbij begeleiden. Plagiaat plegen is een gebrek aan vaardigheden.  Ik denk dat het goed is dat onze eerstejaars meer leren over ‘kennis’ en hoe dat tot stand komt, en hoe je daar vervolgens mee omgaat. Zo zou een duidelijke onderzoeksleerlijn helpen de studenten de kennis en vaardigheden te geven om zelf tot kennisconstructie te komen.

Daarnaast vraag ik mij af of de paper of werkstuk altijd de manier moet zijn om beheersing van stof te testen. Als je je concentreert op het doen van onderzoek en kennisconstructie, dan kun je ook  andere opdrachten en  toetsvormen gebruiken.  Denk aan podcasts, weblogs, video, etc. Creatieve werkvormen om kennis te verwerken, die de studenten misschien motiveren, uitdagen en in de gelegenheid stellen om een authentiek product te leveren, zonder dat dit afdoet aan de kwaliteit en inhoud. En het maakt de opdracht echt niet eenvoudiger.

Ik heb verder niets tegen papers. Ik denk dat het verwoorden van gedachten en concepten een belangrijke vaardigheid is. En ook bij andere vormen is plagiaat mogelijk. Maar als je de student een positieve ervaring meegeefy

4. Vuistregels: veelal niet meer dan 10% citaten in gehele werk. Hmmm, dan kan ik een aantal blogposts van mij onder plagiaat rubriceren. :) Je wil zoveel mogelijk authentiek werk van een student. Hmmm, dan moet ik een aantal blogposts van mij nog maar eens herschrijven. :)

Update 11-11-09 Zie opmerking Mirjam Winkelmolen bij reacties. Fout hersteld.

5. Ephorus. Mijn eerste kennismaking. Studenten kunnen via BlackBoard hun papers en werkstukken inleveren als de docent daarvoor een Ephorus-assignment aanmaakt. Daar wil ik wel eens mee experimenteren.

Ephorus scant teksten op plagiaat. Ephorus vergelijkt het brondocument met databases op Internet en een INHolland database. Daar komt een rapportage uit. Ephorus kijkt natuurijk naar overeenkomsten met andere bronnen, maar controleert ook op synoniemen en ‘vervangen’ woorden. Aanhalingstekens worden niet meegenomen, dus als een student op een juiste manier gebruik maakt van citaten en daar 50% van zijn paper mee volschrijft, dan ziet Ephorus dat niet als plagiaat.

Interessante bijeenkomst. Ik hoop dat de discussie niet alleen gaat over fraude en sancties. We hebben nu eenmaal te maken met een ‘plak- en knip’ generatie, we kunnen veel bereiken als we op een andere manier onze opdrachten formuleren. Vooral in de eerste jaren van de opleiding is het belangrijk om aandacht te besteden aan het waarderen van kennis en vaardigheden om authentieke kennis te construeren.

Nu deze tekst eens inleveren in Ephorus.

Photo grewlike| Flickr

Lees verder

Voor de zomervakantie kwam ik student Stef Maas (eerder op dit blog geintroduceerd) tegen in de wandelgangen. Stef is in en om zijn studie en onderwijsstage met van alles bezig en vindt het jammer dat hij en zijn medestudenten van andere opleidingen zo weinig in de gelegenheid zijn om ervaringen met elkaar uit te wisselen. En geïnspireerd door de IPON-editie van de TeachMeetNL die hij bijwoonde stelde hij voor om daar wat aan te doen. We hebben daar, samen met een aantal creatieve en innovatieve ICTO-ers, recent over gebrainstormd.

Het is toch wel een serieuze opmerking die Stef maakte. Het gaat hier om informele kennisuitwisseling door studenten. Ik heb eigenlijk weinig zicht op hoe dat gebeurt en wat de kwaliteit is van de uitwisseling van studenten. En zouden ze er betere docenten van worden? Want hoe wordt je een goede leraar als je geen ervaringen uitwisselt met je ‘collega’s’. Hoe kun je als opleiding dit informele proces ondersteunen? Wat is de houding die je in dit opzicht van studenten mag verwachten?

Toen ik studeerde aan de lerarenopleiding was tijdens stageperiodes supervisie & intervisie ingeroosterd, minimaal een keer per week. Minimaal 1,5 uur lang ervaringen uitwisselen, elkaars casussen bespreken, leren van elkaar. Ik ben daar beter van geworden.  Maar de lerarenopleiding is aan het veranderen, en krijgt meer en meer een competentiegerichte structuur. Er zijn momenten ingeroosterd voor studieloopbaanbegeleiding, waar de student ervaringen kan uitwisselen met zijn mede-studenten. Alleen zijn deze momenten niet alleen gericht op de stagepraktijk en is het erg afhankelijk van de studieloopbaanbegeleider of er aan intervisie- en supervisie gedaan wordt. Natuurlijk is er begeleiding op de stageschool, maar daar zijn niet altijd medestudenten. Omdat de opleiding competentiegericht is zijn er studenten die op informele wijze hun ontwikkeling als docent verbreden en verdiepen door in allerlei projecten en initiatieven verzeild te raken, op de opleiding en op hun stageschool. Kunnen ze die ervaringen delen op onze opleiding? Is daar ruimte voor in bijvoorbeeld de slb-uren?

Kortom, het leertraject van de studenten wordt meer en meer persoonlijk van karakter. Studenten ontwikkelen zich op verschillende manieren, op een verschillend tempo. Het risico wat hierbij gelopen wordt is dat de student in zijn leertraject geïsoleerd raakt. En dat kan naar mijn mening niet het geval zijn, zeker niet op een school. Door de veranderende structuur van de lerarenopleiding is het belang van informele kennisuitwisseling tussen studenten nog belangrijker geworden in hun ontwikkeling naar startbekwame docent, die competent is in reflectie en ontwikkeling. Ik denk dat de lerarenopleiding een verantwoordelijkheid heeft om dit te ondersteunen. Daarnaast is het ongelofelijk zonde om al die bijzondere ervaringen en kennis niet te delen met elkaar.

Uitwisseling

Ik vind dat daarnaast nog iets speelt, maar dat is een gevoel.  Ik vind de houding van sommige studenten erg zakelijk: op school wordt er met name geconsumeerd, daarna gaat men snel weer naar huis. Studenten hebben vaak een baan en/of een gezinssituatie waar rekening mee gehouden moet worden. Dat is de studenten hun goed recht. Ik vind het wel jammer als ik dit gedrag ook terug zie in de stageactiviteiten: “Ik kom mijn lesjes doen….”. Helemaal erg wordt het als hier nog een saus van “zesjes mentaliteit” over heen gegoten wordt. Dit zijn gelukkig uitzonderingen, en ik wil zeker niet de studenten over een kam scheren. Maar in het algemeen durf ik wel te stellen dat de tijd die studenten nemen om zich, naast de formele verplichtingen van colleges en trainingen, op informele wijze te  ontwikkelen onder druk staat. Dat weerhoudt veel studenten ervan om eens een keer in een project te stappen, iets extra’s te doen voor de stageschool of de tijd te nemen om naar elkaar te luisteren en van elkaar te leren. En dat is jammer.

Maar waarom is het dan zo belangrijk? Ten eerste omdat ik denk dat studenten door informeel leren binnen de opleiding betere docenten worden, al was het alleen maar door  uitwisseling van informatie tussen studenten. De medestudent is een klankbord, een spiegel, een bron van inspiratie of de redder in nood. Ten tweede omdat ik vind dat creativiteit en innovatief vermogen hier een rol spelen. Out-of-the-box denken, met elkaar problemen oplossen, elkaar op ideeën brengen. Kwaliteiten waarover een moderne docent, die het onderwijs van de 21e eeuw gaan vormgeven en millenium learners gaan begeleiden, dient te beschikken naast die van vakinhoud, pedagogiek en didactiek. En dat kan nooit alleen plaatsvinden in de formele leeromgeving van onze opleiding. Ten derde vind ik het prima als we docenten opleiden die onafhankelijke, kritische kenniswerkers zijn, maar denk ik dat het onderwijs van vandaag vooral docenten heeft die interafhankelijk kunnen werken, en met elkaar iets kunnen bouwen.

Tijdens de brainstormsessie begin vorige week, hebben we nagedacht op welke manieren de opleiding kan helpen in het inrichten van deze informele leeromgeving. Ik pleit voor een cultuur binnen de opleiding waar alle studenten uitgedaagd worden om zich op verschillende manieren te profileren en authentieke leerervaringen op te doen. Nu zijn daar gelukkig wel wat ontwikkelingen in aan te wijzen, maar het mag van mij wat structureler en meer ingebed zijn in de visie van de lerarenopleiding op leren en onderwijs. Daarnaast moet de school ook een sociale ontmoetingsplaats zijn waar er naast een formeel curriculum ruimte is voor informele kennisontwikkeling en uitwisseling. Waar de student gemotiveerd raakt om zijn creativiteit en innovatieve kracht te tonen, en waar dat vervolgens ook beloond wordt. Gedrag is echter lastig te veranderen, cultuur is niet iets wat je zomaar creëert. Maar je kan wel de randvoorwaarden scheppen en initiatieven ontplooien waardoor studenten gemotiveerd raken om ervaringen met elkaar te delen.

De brainstorm bracht verschillende ideeën op tafel. Iets als een TeachMeet? Informeel van karakter, pure uitwisseling van kennis en ervaringen. Maar binnen een opleiding iets te formeel van karakter? Wat kunnen we leren van evenementen als de Dag van de Dialoog? Wat kunnen we bereiken met ICT? Het event MiXM kwam op tafel, waar ik ook een deel van heb bezocht. Het is zeker de moeite waard om te kijken hoe we door het gebruik van verschillende media en sociale netwerken de informele uitwisseling van informatie tussen studenten kunnen ondersteunen en versterken. Is er een crossmedia-concept te bedenken waar we de actieve rol en verantwoordelijkheid van de student kunnen benadrukken, de student als prosumer.

We brainstormen binnenkort verder. Over het het idee van Stef.

Photo by fisserman | Flickr

Lees verder

3932068673_c1acb5c2a6_oOp donderdag 5 november vond op Hogeschool INHolland in Diemen het event MiXM plaats, georganiseerd door eerstejaars studenten van de opleiding Crossmediale Communicatie. Crossmedia?

Bij crossmediale communicatie bestaat een mediaconcept uit een combinatie van verschillende media die elkaar aanvullen en versterken. Crossmediale communicatie wordt steeds meer gezien als de vervolgstap op communicatie en markeert het nieuwe tijdperk in de creatieve media-industrie. bron: Mixm.nl

Wat ik op dit moment een mooi voorbeeld van crossmedia vind, is het Beagle project van de VPRO, waar een combinatie van TV-uitzendingen, Internet en radio wordt gebruikt.

In de hal waren door bedrijven en studenten stands ingericht over verschillende aspecten van media en crossmedia. In het auditorium spraken professionals over thema’s die gekoppeld zijn aan crossmedia. Ik heb niet alles kunnen meemaken doordat ik zelf een training moest verzorgen, maar doordat een en ander uitliep kon ik aan het einde van de middag toch nog een paar sessies meepikken. Helaas moest ik de sessie van Apple door Bram Elderman missen. Ik vat wat tweets samen:

Gaming
Mario de Vries sprak over gaming. Hij liet verschillende voorbeelden zien die aantonen hoe ver games al in onze maatschappij verankerd liggen. In commercials zien we dat de avatar uit games als inspiratiebron wordt gebruikt. De Vries sprak ook over virtual agents, die ons steeds meer zullen ‘gidsen’ op het web. En we accepteren dat, stelt hij, want het zijn de avatars uit de games. Steeds meer bedrijven pikken serious gaming op en technologieën als virtual reality en augmented reality. De Vries noemt een voorbeeld over het gebruik van VR: TBS-ers die virtueel op proefverlof gaan.  Actueel!

Een spectaculair voorbeeld van augmented reality, waar je de realiteit aanvult met een ‘laag’ digitale, virtuele informatie, was de AR van Total Immersion: in 3D. Filmpje hieronder, de moeite waard om te bekijken. Een ander voorbeeld van AR zien we bij BMW, waar monteurs een bril opzetten, en vervolgens zien en lezen welke stappen ze moeten doen in een reparatie. De Vries verteld verder over o.a. het gebruik van behavioral data. Gegevens over hoe mensen reageren op een game of hoe gedrag het spelverloop kan beïnvloeden zijn interessante casestudies voor mensen in de marketing, of in de ontwikkeling van het semantische web.

De Vries gaf een mooi overzicht van de stand van zaken op het gebied van games, ondersteund door veel voorbeelden. Ik heb niets nieuws gehoord, maar het is duideijk wat voor impact gaming heeft in de verschillende media en hoe men game-concepten gebruikt om de boodschap over te brengen.

Sociale netwerken
Michel Langendijk van Mediamatic sprak over prosumers en social networks. “Prosumen” volgens Langendijk is: zelf nadenken, zelf dingen maken, zelf dingen laten zien. Ik moest denken aan producerend leren, de didactiek achter de ICT-projecten in het onderwijs,  die ik als student samen met Tom Visscher en Nico Juist deed. Zelf doen staat centraal bij Mediamatic. Het bedrijf richt zich met name op het ontwikkelen van sociale netwerken. Langendijk sprak over de social network die ze hebben ontwikkeld voor Picnic. Deelnemers kregen een “ikTag“, in dit geval een hartje met een chip er in. Die chip is gekoppeld aan het profiel van de deelnemer. Tijdens de Picnic kan de deelnemer allerlei dingen doen, die vervolgens via de “ik-tag” aan het profiel worden gekoppeld. Online is het mogelijk om op basis van deze profielen vrienden te worden. Hier zit volgens Langendijk het prosumerschap in: je bent eigenaar van wat je doet en alles kan je terugvinden op je profiel. MIsschien moet ik toch eens anders kijken naar het digitaal portfolio-project en kijken hoe ik het prosumerschap bij de studenten kan stimuleren.

Langendijk noemt meer  projecten van Mediamatic waar prosumerschap centraal staat. Onder andere het project Kom je ook?, bijeenkomsten waar het publiek actief deelneemt en verantwoordelijk is voor het programma, gericht op kunst & cultuur. Een ander mooi voorbeeld is Mediamatic Travel, een social network met culturele gidsen, die virtuele, culturele tours verzorgen door hun stad, en desnoods op afspraak je bijkletsen voordat je die stad bezoekt.

Ten slotte
Interessant event! Leuk en goed dat eerstejaars studenten dit organiseren. Volgend jaar zal ik het zeker weer in mijn agenda plaatsen, en dan ook de avond-sessies bijwonen. Ik heb meer geleerd over crossmedia en vind het interessant om te horen hoe ‘zenders’ door het creatief en innovatief gebruik van media de ‘boodschap’ bij de ‘ontvangers’ proberen te krijgen. Het is interessant om na te denken over het toepassen van crossmedia-concepten binnen de lerarenopleiding waar ik werk. Bijvoorbeeld om de informele uitwisseling van stage-ervaringen tussen studenten te ondersteunen. Er broeit een plannetje.

photo by jeroenbottema | Flickr

Lees verder